In 2009 startte ik mijn eigen psychologische praktijk gericht op werk en gezondheid. Door de jaren heen zag ik veel mensen met stressklachten, conflicten op het werk en loopbaanvragen. Maar mensen zijn meer dan werk en dus ging het bijvoorbeeld ook over problemen binnen de relatie, ingrijpende gebeurtenissen en zingevingsvragen. Kortom, onderwerpen van alle tijden.
Daarnaast is mijn praktijk natuurlijk ook een graadmeter van het tijdsgewricht waar we in leven en heb ik in de loop der jaren onderwerpen zien komen en gaan. In 2019, toen ik de balans opmaakte na tien jaar eigen praktijk kwam bijvoorbeeld ‘diagnosedrift’ langs (iedereen een etiketje), de kantoortuin (toen al aardig op z’n retour) en de opkomst van AI.
Inmiddels zit AI in een stroomversnelling. Staan we inderdaad aan de vooravond van een gigantische en onvoorspelbare omwenteling die de wereld en de arbeidsmarkt onherkenbaar gaat transformeren? Of valt het allemaal wel mee? Ik zie enthousiasme (“Ongelooflijk wat die Chat allemaal kan, vroeger werd dit door 20 werknemers gedaan, nu kan ik ’t alleen af”), maar ook angst en terughoudendheid. Niet onterecht: hoe meer we uitbesteden aan de techniek, des te afhankelijker we daarvan worden en des te minder controle wij (de mens, de makers) er nog over hebben, met alle onvoorspelbare gevolgen van dien.
Binnen het onderwijs bijvoorbeeld wordt enorm met AI geworsteld. Door wie of wat is deze scriptie geschreven of dit tentamen gemaakt? Zal ik het dan ook maar laten nakijken door AI?! Maar wat is dan nog de rol van de mens in dit proces?! Op wat voor wereld moeten en willen we onze leerlingen en studenten eigenlijk voorbereiden? En ook: raak ik straks mijn baan kwijt? Hoe moet ik dan in mijn levensonderhoud voorzien?
Niet eens zo heel lang geleden dacht ik nog: de meeste mensen zullen de voorkeur blijven geven aan een goed gesprek met een ‘echt mens’. Maar inmiddels ben ik daar niet meer zo zeker van. AI geeft vaak heel behulpzame adviezen op basis van de bestaande vakliteratuur en voelt voor velen aan als een menselijke gesprekspartner in plaats van een technische tool.
Hoogleraar psychiatrie Iris Sommer gelooft in AI, ze staat “versteld van het invoelende advies”, zo zegt zij in de Volkskrant. Volgens haar moeten we het idee opgeven dat wij uniek zijn als menselijke wezens die taal hebben en empathie kunnen tonen. Sommer: “AI kan dat ook. Het is in feite een wezen, dat niet eet, niet ademt en geen bloedsomloop heeft, maar dat wel talig is, dat ook verhalen kan verzinnen.” Belangrijk, want: “Mentale gezondheid hangt af van de manier waarop je tegen jezelf praat”.
Dat laatste ben ik helemaal met haar eens. Ik geloof en zie ook dat AI een rol kan spelen in de psychologische praktijk. Maar AI een ‘wezen’?! Daar valt toch nog wel iets tegenin te brengen. Bewustzijnsfilosoof David Chalmers denkt daar in ieder geval heel anders over. Immers: waar wij mensen in staat zijn om ‘to know what it’s like’ (wat het betekent om iets te ervaren), kan AI dat niet. ‘Hij’ (AI dus, niet Chalmers) is overigens de eerste om dat toe te geven. Empathie tonen, dat kan AI inderdaad, maar empathie ervaren, nee. En zou dat echt niets uitmaken?!
Net als veel van mijn collega’s kan ik geraakt worden door wat mijn cliënten mij vertellen. Met enige regelmaat schiet ik zelfs even vol. Ik zie dan in de ogen van de ander dat die dat ziet. Ooit vond ik dat een beetje ongemakkelijk. Totdat ik las dat dit een euvel is dat met de jaren komt. Cliënten lijken er bovendien geen probleem mee te hebben. Sterker nog, het kan juist een gedeeld gevoel van verbinding en diepgang geven. Soms vraag ik me zelfs af of dat niet juist het meest wezenlijke is.