\
Margôt van Stee
Arbeidspsycholoog/ Mindfulnesstrainer
/

De olifant in de kamer

Tot mijn dertigste had ik het eeuwige leven. Natuurlijk wist ik wel dat ook mijn leven eindig was, maar dat was toch meer een afstandelijk en rationeel dan een doorvoeld weten. Eigenlijk was het gewoon geen onderwerp. Zo nu en dan las ik interviews met schrijvers die beweerden dat sterfelijkheid hun voornaamste thema was. Waar hadden ze het over?! Het zou nog even duren voordat het besef van mijn eigen onvermijdelijke einde werkelijk begon door te dringen. Een gedenkwaardig moment, volgens de dichter William Wordsworth: In this instant, you become fully human. Nou, zover is het dan toch gekomen.

De voornaamste reden dat dat zo lang duurde was dat ik nauwelijks werd geconfronteerd met de dood, opgroeiend en levend in een periode van ongekende veiligheid en welvaart, en geholpen door het lot. Mijn katten, dat was het wel zo’n beetje. De laatste jaren begint daar verandering in te komen. Mijn ouders kwamen te overlijden en met enige regelmaat beginnen ziekte en verlies aan de deur te kloppen, zoals dat gaat boven je vijftigste. Het wordt steeds lastiger om weg te kijken.

Want wegkijken, daar zijn we als mens ongelooflijk behendig en bedreven in, zoals antropoloog Ernst Becker in 1973 beweerde in zijn boek The Denial of Death. Volgens hem stellen we alles in het werk om maar niet aan onze sterfelijkheid te hoeven denken, terwijl het besef ervan toch in belangrijke mate ons doen en laten bepaalt. Halverwege de jaren tachtig besloten drie van zijn studenten, Sheldon Solomon, Jeff Greenberg en Tom Pyszcynski, de ideeën van hun leermeester te gaan testen in het laboratorium. En dat zijn ze tot op heden blijven doen, inmiddels alle drie in de hoedanigheid van hoogleraar psychologie. Hun boek The Worm at the Core vormt daarvan de neerslag.

Volgens de auteurs daagde er in de geschiedenis van de mensheid geleidelijk aan een afschrikwekkend inzicht toen de mens bewustzijn begon te ontwikkelen. Net als andere diersoorten zijn we gebouwd op zelfbehoud en vechten we meestal tot het bittere einde voor ons voortbestaan, zoals we kunnen zien in tijden van oorlog en in geval van ziekte. Tegelijkertijd zijn we de enige soort die beseft dat we uiteindelijk gedoemd zijn die strijd te verliezen, hoezeer we ons ook verzetten. Om die reden begonnen onze voorouders culturele wereldbeelden en waardensystemen te ontwikkelen in de vorm van religies en ideologieën. Deze hadden tot doel het leven betekenis te geven en het gevoel te geven onderdeel uit te maken van een groter geheel dat over de dood heen blijft voortbestaan. Een mens ervaart eigenwaarde wanneer hij of zij zich verbindt aan dat grotere geheel door er een waardevolle bijdrage aan te leveren. Pas dan is er een werkelijk gevoel van veiligheid, zo ver mogelijk verwijderd van de dood. Het is bijvoorbeeld niet voor niets dat werkeloosheid de eigenwaarde zo aantast en eenzaamheid het leven kan bekorten.

Teneinde de dood op afstand te houden is het dus belangrijk voor ons om in zo’n groter verhaal te leven. Tegelijkertijd drijft een te grote gehechtheid daaraan de mensheid uiteen: want zoveel mensen zoveel zinnen en gezindten. Voor de één is het geluk en voortbestaan van de mensheid afhankelijk van het kapitalisme, voor de ander van een bewust omgaan met het klimaat. Voor de één van een zuiver ras, voor de ander van een open maatschappij. Voor de één heiligt het hogere doel alle middelen, inclusief geweld, voor de ander is de pacifistische weg à la Gandhi de enig ware en werkzame. En zo kunnen we nog wel even doorgaan. Een tijdlang werd gedacht dat we met de secularisatie ook de strijd hadden afgeschaft, maar niets is minder waar gebleken. Eerst waren er de grote politieke ideologieën (socialisme, communisme, fascisme) en toen die dood werden verklaard kwam er het neoliberalisme, dat aanvankelijk niet eens werd herkend omdat het net als alle grote verhalen werd gepresenteerd als de enige waarheid (Margaret Thatcher: “There ís no alternative”), zoals overigens alle grote verhalen. Het is net als met Sinterklaas; hem ter discussie stellen is meestal het begin van het einde.

Zolang jouw waardenstelsel of geloofssysteem niet het mikpunt is, is het niet zo heel moeilijk om tolerant te zijn. Echter, wanneer datgene waaraan jij je identiteit en fysieke en symbolische voortbestaan hebt verbonden door anderen moedwillig en nonchalant terzijde wordt geschoven, of zelfs wordt vertrapt en vernederd, wat blijft er dan van je over? Vanaf het moment dat ik me dat probeerde voor te stellen, begon ik de functie van zo’n systeem werkelijk te begrijpen. Het is dan ook niet zo vreemd dat bijna iedereen zich wel ergens aan verbindt. Zoals de auteur David Foster Wallace het zegt in zijn toespraak This is water: “Everybody worships something”, ook als je je daar niet zo bewust van bent. Of het nu Christus is, Mohammed of Boeddha, FvD of GL, de idealen van de Verlichting, democratische waarden, dierenrechten, de aarde, haar voortbestaan en haar soortenrijkdom, het hebben van succes, woke zijn, traditionele waarden of (zoals voor Wallace zelf) compassie.

Enerzijds is het hebben van zo’n systeem dus essentieel voor je welzijn – zonder al teveel relativering, want dat trekt het vloerkleed onder geloof vandaan. Tegelijkertijd maakt het rigide vasthouden aan het eigen waardensysteem je intolerant en kom je potentieel op ramkoers. Hoe hier verstandig mee om te gaan? Tegen die tijd voelde ik als lezer het antwoord al aankomen. Ook volgens de auteurs is the muddy middle, ofschoon lastig, toch de meest wijze weg: je met hart en ziel verbinden aan je eigen overtuigingen en tegelijkertijd beseffen dat voor mensen met andere wereldbeelden uiteindelijk hetzelfde op het spel staat als voor jou. Jezelf verbinden aan iets groters of hogers en je tegelijkertijd openstellen voor de realiteit van de ander met wie je op één afdeling werkt of een planeet bewoont. Een beetje zoals relatietherapeuten ruziënde stellen adviseren: accepteren dat er co-existerende waarheden bestaan. Niet persé gelijk willen krijgen, maar inzetten op zo goed mogelijk samenleven.

De auteurs bepleiten daarnaast een bewust omgaan met de sterfelijkheid, omdat een gebrek daaraan veel schade kan aanrichten, hetgeen ze aantonen op basis van eindeloos veel onderzoek. Dus leven met de dood, zoals zoveel geloofsovertuigingen je kunnen leren, of het nu het Boeddhisme, het Sjamanisme of iets anders is. In het bewustzijn van je eindigheid, zodat je niet pas op je sterfbed moet vaststellen dat je een volkomen verkeerde koers hebt gevaren – zoals Ivan Iljitsj, de protagonist uit De doodvan Ivan Iljitsj van Leo Tolstoi, het beste boek over levensspijt dat ik ken. Om dat te voorkomen wens ik je aan het eind van dit jaar niet alleen veel tijd en aandacht toe voor je geliefden, maar ook voor bezinning, ter voorbereiding op een waardevol, welbesteed, vreedzaam en verbindend nieuw jaar!

The Worm at the Core, on the Role of Death in Life, Sheldon Solomon,
Jeff Greenberg en Tom Pyszcynski (in het Nederlands vertaald onder de titel:
Hoe de dood ons drijft), uitgever: Boom Psychologie
De Dood van Ivan Iljitsj, Leo Tolstoi, uitgever: Meulenhoff
This is water, David Foster Wallace