\
Margôt van Stee
Arbeidspsycholoog/ Mindfulnesstrainer
/

Een nieuw taboe

06/22/22

De afgelopen jaren ben ik met enige regelmaat te gast geweest bij Zen Centrum Noorderpoort voor een vipassana retraite begeleid door Frits Koster en Jetty Heynekamp. Wat mij dan altijd weer opviel was de zorgvuldigheid waarmee het huishouden daar wordt gevoerd, iets wat vooral duidelijk werd tijdens de werkmeditaties. Tijdens twee retraites had ik de ochtenddienst, hetgeen inhield dat ik ervoor moest zorgen dat alle ruimtes voor zes uur waren gelucht en de thee klaar stond voor de vroege vogels. Tijdens de inwerkochtend was mij uitdrukkelijk verzocht om alle blaadjes na het theezetten in de compostbak te deponeren. Ik schoot dan ook totaal in de stress (reactiviteit!) toen op een kwade dag de afvoer verstopt bleek te zijn – kennelijk waren er toch wat restjes in de gootsteen beland. Een veelvoorkomend euvel, stelde Frits mij direct gerust, dat vervolgens in een mum van tijd werd verholpen.

Hoewel ik mezelf niet per se zie als viespeuk of sloddervos moet ik altijd wel een tandje bijzetten om aan de standaard van de zen-monniken en -nonnen te kunnen voldoen. Tegelijkertijd voel ik groot respect voor de aandacht, zorgzaamheid en zorgvuldigheid waarmee zij de dingen doen. Ik zou bijna zeggen: ouderwets. Spullen worden goed onderhouden en niets wordt weggegooid zolang het nog ergens voor gebruikt kan worden.

Toen ik opgroeide, was het huishouden nog de exclusieve taak van vrouwen. En hoewel sommigen van hen er een broertje (of zusje) dood aan hadden, schiepen velen ook eer in een schoon en opgeruimd huis: ze zagen het als een bron van trots, iets om je op voor te kunnen laten staan. Inmiddels mogen vrouwen ook studeren en werken en dat is een ongelooflijk groot goed. Sterker nog, het is de nieuwe norm geworden, die officieel door de overheid wordt uitgedragen. Voor veel gezinnen is het anderhalfverdienersmodel trouwens ook de enige manier om de huur of hypotheek te kunnen betalen.

Het maatschappelijke aanzien van huishoudelijk werk lijkt daarmee flink te zijn gedaald, versterkt door het toegenomen gebruik van huishoudelijke apparatuur, de consumptiemaatschappij (nieuw kopen wanneer iets is stuk gegaan of je erop bent uitgekeken) en kant en klaar maaltijden. Ik ken niet zoveel mensen meer die nog zelf hun kleding verstellen of handmatig de afwas doen. Je komt beter voor de dag met carrière maken, creatieve cursussen doen of verre reizen maken.

Ik herinner me dat ik ooit thuiskwam van de lagere school in een huis dat oogde als een paleis. Alles glom en blonk. Wat was hier gebeurd?! Ze had gestoft, antwoordde mijn moeder. Eindelijk oogstte ze een keer dankbaarheid voor wat weliswaar een belangrijk deel van haar dagtaak en identiteit was, maar toch vaak onopgemerkt bleef. Vrouwenwerk.

Het zal vast wel weer iets met ouder worden te maken hebben, of anders met mijn mindfulnessbeoefening, maar mijn aandacht voor al die kleine dingen is de laatste jaren juist toegenomen, geheel tegen de tijdgeest in. Het verschaft me voldoening om de uitgebloeide bloemen in de balkonbak te verwijderen en de kattenharen van de houten vloer te vegen. En ik besteed veel meer tijd aan de dagelijkse maaltijd dan het landelijke gemiddelde van vijfentwintig minuten.

Eerlijk is eerlijk: een beetje sekse-stereotiep en uit de tijd voelt het soms wel. Wat een opluchting dat één van mijn beste vriendinnen, een stoere tante, al net zoveel lol bleek te hebben in het verwijderen van het stof dat blijft hangen onder de viltjes van de stoelen. En laten we wel wezen: hoe geëmancipeerd is het om iets nìet te doen omdat het sekse-stereotiep zou zijn?!

Schoonmaken leerde ik trouwens niet van mijn moeder maar van mijn eerste ex, een man. En van mijn tweede, ook een man, leerde ik dat goed onderhoud het behoud van je spullen is. Het verrichten van huishoudelijke taken is inderdaad informele mindfulnessbeoefening par excellence (en zelfs een mogelijke weg naar verlichting!). Een geweldige workout bovendien. En laten we vooral niet vergeten dat het enorm duurzaam is, die zorgzaamheid, dus eigenlijk ook weer zeer vooruitstrevend en helemaal van deze tijd!

Waarden in een veranderende wereld

03/23/22

We leven in een tijd van grote veranderingen. Amper bijgekomen van een twee jaar durende pandemie met alle gevolgen van dien, werden we op 24 februari jongstleden opgeschrikt door de inval van Rusland in Oekraïne. Geschokt door de beelden en verhalen die via de media tot ons komen proberen we te begrijpen wat er gebeurt, te voorspellen wat de wereld nog te wachten staat en te bepalen wat we kunnen doen.  

De geschiedenis was ten einde gekomen, schreef politiek filosoof Francis Fukuyama in 1992. “Nederland is af”, kopte het Parool bij de aanvang van dit millennium. Ondertussen kampen we met een ecologische en klimaatcrisis van jewelste, vragen ons af hoe we de volgende winter warm zouden kunnen blijven zonder het gas van Poetin, maar ook zonder de Groningers nog verder weg te laten zakken, en zien we de geopolitieke machtsverhoudingen ingrijpend verschuiven, wat ons doet inzien dat, hoe terecht de kritiek op het westen ook mag zijn, er toch ook wel veel te verdedigen valt.

In tijden als deze wendt de mens zich tot wijsheidsleren. Boeken van en over Cicero en Seneca, bijvoorbeeld, schijnen niet aan te slepen te zijn. Begrijpelijk. De Griekse filosofen bedreven geen louter intellectuele Spielerei, maar deden aan spirituele beoefening, zoals classicus Pierre Hadot heeft aangetoond. Ze vroegen zich af hoe een goed leven er uit kan zien en hoe we kunnen voorkomen gedomineerd te worden door onze emoties.

De Boeddha vroeg zich af hoe het lijden te verminderen. In het achtvoudig pad, waarvan meditatie een onderdeel vormt, formuleerde hij een antwoord op deze vraag. Mindfulness is niet voor niets bij uitstek toegesneden op moeilijke momenten en perioden, kleinere en grotere, persoonlijke en relationele, maar ook collectieve. Wat kan mindfulness in het licht van al deze ontwikkelingen voor ons betekenen?

Allereerst biedt mindfulness natuurlijk die kleine of grotere oase waarin we even op adem kunnen komen; kunnen voelen wat al die veranderingen met ons doen, hoe ze ons in verwarring brengen en angstig, verdrietig of boos maken. Misschien kunnen we dan ook zien in welke automatische reactiepatronen we ongemerkt en ongewild verzeild raken, bijvoorbeeld van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat koortsachtig het nieuws blijven checken, om daar dan ineens helemaal genoeg van te krijgen en over te gaan op een totale detox. In actie schieten zonder eerst goed te hebben nagedacht. Een kort lontje krijgen. Wegzakken in angst en machteloosheid.

Mindfulness biedt een open, prikkelarme ruimte waarin het adrenalineniveau kan dalen, zodat we wellicht weer iets van rust en gelijkmoedigheid kunnen ervaren. Zodat we kunnen besluiten hoe verder te gaan, vanaf hier. Niet vanuit een vernauwing van denken en voelen maar vanuit een ruimer perspectief. Zoals Lao Tse het zo mooi verwoordt: wachten tot de modder zakt, het water helder wordt en in stilte verwijlen tot de juiste handeling vanuit zichzelf ontstaat. Misschien met iets meer wijsheid, gevoel van verbinding en compassie, zowel voor anderen als voor onszelf.

En als we dan even stilvallen en het vizier wat verder hebben opengeschoven, dan kan er wellicht ook wat ruimte ontstaan om jezelf nog wat wezenlijkere vragen te stellen. Zoals: wat vind ik nou eigenlijk echt belangrijk? Waar wil ik mijn kostbare tijd aan besteden? Door welke waarden wil ik mij laten leiden, uitgaande van mijn persoonlijke situatie en de ontwikkelingen in dit tijdsgewricht? Wat wil ik doen met dat hele smalle streepje licht dat we leven noemen?

Geconfronteerd met het lijden, zoals in Oekraïne, bespeur ik soms de neiging bij mijzelf me af te willen wenden van het leed, van de wereld, er geen getuige van te willen zijn, er geen onderdeel van uit te willen maken. En telkens kom ik dan weer tot dezelfde conclusie: als ik er niet zou zijn of weg zou kijken, dan zou ik ook niets kunnen bijdragen. De vraag is dus wat ik wel kan doen, hoe klein ook, aangezien ik er nu eenmaal ben. Hoe geef ik vorm aan dat wat voor mij van waarde is, zonder weg te kijken maar ook zonder erin te verdrinken. En zonder oog te verliezen voor alle schoonheid en liefde, die evenzeer deel uitmaken van deze wereld.

Aandacht voor de natuur

03/23/22

Al zolang ik me kan herinneren houd ik van wandelen in de natuur. Lange tijd had ik echter weinig benul van wat daar allemaal groeide, bloeide, rondscharrelde en overvloog. Totdat ik een relatie kreeg met een bioloog en ornitholoog, inmiddels alweer zo’n vijfentwintig jaar geleden. Lekker doorstappen zat er met hem niet in, maar er ging een wereld voor me open. Het non-descripte ‘vogels’ veranderde al gauw in een brede waaier van kleur, geluid, vorm en beweging. Ik zag geen vogels meer, ik zag merels, kauwen, wielewalen, pestvogels, brilduikers, kuifeenden, zelfs een hop. Wat was de wereld oneindig veel rijker en veelvormiger dan ik altijd had gedacht.

Dit alles kwam terug in mijn herinnering toen ik Diary of a Young Naturalist las van Dara McAnulty, een Noord-Ierse jongen, veertien jaar toen hij dit dagboek schreef. McAnulty is de oudste zoon in een zeer hecht en liefdevol gezin van natuurliefhebbers (“close as otters”). Zijn vader is marine-bioloog en natuurbeschermer, zijn moeder een voormalig muziekjournalist die thuisonderwijs geeft aan haar dochter. Het hele gezin is autistisch, op de vader na, die de rest van het gezin niet alleen helpt om de raadsels van de natuur op te lossen, maar ook die van het sociale verkeer. Dara is slim en leergierig, maar school is geen goed concept voor hem: te bedompt, te veel prikkels, te veel onbegrijpelijk sociaal gedoe.

Wanneer het gezin naar de andere kant van het land verhuist gaat hij door een donkere periode. Hij rouwt om de favoriete plekjes die hij achter moet laten, bovendien is er de angst dat hij, nerdy als hij is, ook op zijn nieuwe school weer gepest zal worden. In de natuur, alleen of samen met zijn familie, komt Dara telkens weer tot zichzelf. Met de grootst mogelijke aandacht observeert hij alles wat hij tegenkomt en nodigt de lezer daarmee uit hetzelfde te doen. Gewoon, in de tuin, het park om de hoek of een natuurgebied in eigen land. Zo geeft hij een liefdevolle beschrijving van de botergele eitjes van een oorwurm nestelend in een muurleeuwenbek (ook wel ‘mother of thousands’ genoemd). Ik moest er het internet voor raadplegen, maar inderdaad: die eitjes zijn van een grote schoonheid. Van vooroordelen (bah, een oorwurm) heeft hij duidelijk weinig last.

Wanneer zijn zusje Bláthnaid (“the queen of all feathery things”) tijdens een wandeling haar eerste gaaienveer vindt, spat de vreugde van de bladzijden. Met de veer in het haar gestoken huppelt ze uitgelaten verder. Het hele gezin leeft mee, wat een prachtvondst. Als ze niet lang daarna ontdekt dat ze haar trofee alweer heeft verloren, zakt de complete familie door de knieën om de verloren schat te zoeken, helaas vergeefs, waarna Dara haar troostend op de schouders neemt. En zo delen ze ook hun verdriet wanneer vader McAnulty op een uitzonderlijk winterse dag (het is min 10) thuisgekomen van zijn werk vertelt hoe de koperwieken uitgeput en bevroren uit de lucht waren komen vallen. Het ontroerde me om te lezen over hun diepe mededogen, zowel met de vogels als met elkaar.

Naarmate ik vorderde werd Diary of a Young naturalist voor mij veel meer dan een prachtig geschreven natuurdagboek van een adolescente autist en klimaatactivist. Er begonnen zich spontaan woorden in mijn hoofd te vormen die ik ken uit mijn meditatie-beoefening; woorden als zorgzaamheid, medevreugde en compassie, veerkracht, dankbaarheid en verbondenheid, maar ook begrippen als de vergelijkende geest en verandering als enige constante. En bovenal natuurlijk aandacht, zowel voor de buitenwereld – mensen, dieren, bomen, bloemen, zonder strikte hiërarchie – als voor de binnenwereld. Bijvoorbeeld reflecties over het groeiende zelfbewustzijn en de manier waarop de mens zich verhoudt tot de natuur, maar ook intens ervaren emoties als vreugde, razernij, paniek, ontworteling en verdriet.

Het is een diepe hoop van McAnulty dat de zorgzame aandacht voor de natuur zoals hij die beschrijft ook bij zijn lezers zal leiden tot de wens en de inzet om al deze natuurlijke schatten tegen onszelf te beschermen – omdat we er nu eenmaal volkomen afhankelijk van zijn, voor ons welzijn en ons voortbestaan. Bij mij is dat in ieder geval gelukt. Bovendien ben ik nog aandachtiger gaan kijken naar allerlei natuurverschijnselen. Denk bijvoorbeeld aan de wijze waarop de winter de structuur van bomen onthult en de art decolijnen van Jan van Genten, zoals McAnulty het treffend en poëtisch verwoordt. Een paar weken geleden ontdekte ik regenwormen in paringstenue, gewoon, op de stoep bij mij om de hoek. Alles wat je aandacht geeft groeit, plegen we te zeggen. Het zou mooi zijn als dat inderdaad ook geldt voor de natuur. In ieder geval kunnen we allemaal hoeders zijn van de natuur door zorgzaam en aandachtig om te gaan met ons eigen kleine hoekje op deze aarde.

Diary of a Young Naturalist van Dara McAnulty is in het Nederlands uitgegeven door Balans als Dagboek van een Natuurjongen (vertaling door Annemie de Vries).